Firmin Aerts: “Asster laat zien wat echte naastenliefde is”

jefaertsFirmin Aerts, burgemeester van St-Truiden (1971-1977)  

Vanaf de jaren 60 nam ik een actieve rol op in de gemeentepolitiek van Sint – Truiden en werd ik gemeenteraadslid en later schepen. Vanaf 1974 tot 1977 was ik burgemeester van St-Truiden.

Het beeld van de psychiatrie in de jaren voorafgaand aan mijn ambtelijke mandaten en ook ten tijde van die mandaten was er één van geslotenheid. Die perceptie werd nog versterkt door de infrastructuur van die tijd: gebouwen omringd door hoge muren, vensters voorzien van traliewerk waardoor inkijk niet mogelijk was, het refereren naar de patiënten als degenen die ‘opgesloten zaten’.

Tijdens mijn ambtsperiode was het contact met de instellingen bijna onbestaande en het weinige contact dat er was, kwam in eerste instantie de algemene perceptie niet ten goede. Ik herinner me nog levendig het eerste bezoek dat ik bracht aan Ziekeren. Staande voor de grote gesloten poort moest ik onwillekeurig terugdenken aan een regel uit Dante’s La Divina Comedia: “Laat varen alle hoop, gij die hier binnen treedt.” En in het weinige contact dat er was kon de ietwat duistere perceptie van dwangbuizen, opsluiting, enz. niet weerlegd worden. Net zoals in de maatschappij werd er simpelweg niet gesproken over psychische aandoeningen, ze waren taboe, mensen verdwenen achter de muren.

Als burgemeester en binnen het bestuur was er een grote welwillendheid en positieve ingesteldheid ten aanzien van de instelling maar gelet op haar zelfredzaamheid (eigen groenten, eigen munt,enz.) waren er weinig vragen tot samenwerking.

Zeer geleidelijk werd vanuit de instelling meer openheid gecreëerd door simpele activiteiten bv. het organiseren van een culturele avond samen met de patiënten voor een 200-tal genodigden. Nog altijd herinner ik me de ontroerende versie die het orkest bracht van ‘Vous-permettez Monsieur’; de broeder die deelnam aan de jaarlijkse pluimvee tentoonstelling; de boekbinderij die meehielp aan het archiveren van stadsdocumenten; het rietvlechtatede lier; begeleide patiëntenwandelingen; overleg met de bouwmaatschappij om begeleid wonen mogelijk te maken. Kleine initiatieven die plaats zouden maken voor een schitterende (r)evolutie: het afbreken van de muren, inzetten op herintegratie o.a. door beschut wonen, het doorbreken van het taboe en door het transparant werken het doorbreken van de negatieve perceptie.

In deze tijd waar elke burger – en dus ook Asster – aan veel meer regelgeving is gebonden en er duidelijk wordt ingezet op vermaatschappelijking van zorg is dat natuurlijk anders. Asster zal in dat kader nood hebben aan structureel overleg met het gemeentebestuur en de stad. Een overleg waar de verschillende belangen moeten primeren maar waar welwillendheid nog steeds voorop moet staan.

Asster vervult een bijzondere taak niet alleen in de rechtstreekse zorg voor de medemens maar vooral als baken/ duidelijk teken van een grotere waarde in een maatschappij die steeds meer georiënteerd is op het koele, zakelijke, becijferend denken: het is een oase waar ruimte is voor het pure menszijn. Waar geïnvesteerd wordt in de mens zelf, in zijn/haar herstel en niet vanuit een economische realiteit waar men moet renderen maar vanuit een zorgzaam standpunt.

In die zin biedt Asster – versterkt door de fusie van Ziekeren en Sancta Maria – weerwerk tegen een te rationele maatschappij en staat ze voor de klassieke waarde van ‘zorgen voor’. De medewerkers binnen Asster zijn volgens mij uit bijzonder hout gesneden en verdienen zelf de nodige aandacht: het is allicht een ouderwets begrip maar zij laten nog zien wat echte naastenliefde is, zorgen voor een ander. Dat inspireert, dat verrijkt onze stad, dat geeft hoop!