Mijmeringen over “zorg “ en “ geestelijke gezondheid”….

Vanuit mijn professionele betrokkenheid bij de problematiek van de geesteszieken, wil ik hier enkele bedenkingen neerschrijven.

Als ik 50 jaren achterom kijk, dan vind ik dat er een enorme vooruitgang ten goede heeft plaats gevonden.

Toen ik in 1958 mijn loopbaan begon, kon men enkel spreken van goede “zorg” voor geesteszieken en vooral mentaal gehandicapten. Er werd op edelmoedige wijze voor hen gezorgd: ze hadden eten en drinken, ze hadden gestichtskledij en een goed bed.  De besten onder hen werden dagelijks ingeschakeld in huishoudelijke opdrachten.

Meer had de maatschappij toen niet voor hen over en dan moest men nog een ”truc” uithalen om een geringe subsidiëring van de overheid te bekomen.

De patiënt werd officieel niet erkend als “zieke” en de psychiatrische instelling was geen ziekenhuis. Om van overheidssteun te genieten moest men “gecolloceerd”  worden in een gesloten psychiatrische instelling, dan kon de instelling een tegemoetkoming bekomen vanuit het “speciaal onderstandsfonds”.
De collocatie had echter een aantal kwalijke gevolgen: vrijheidsberoving, tijdelijke ontzetting uit hun rechten…..

De gecolloceerde telde niet mee…

De collocatie kon je dus moeilijk een maatregel noemen, die de geestelijke gezondheid van de patiënt bevorderde.
De verzorging werd waargenomen door een grote groep broeders, die op deze manier, en in liefde bewogen, gestalte gaven aan hun roeping. Ze werden geholpen door enkele tientallen “knechten”.
Om de leefbaarheid van de instelling te garanderen, moest men de wet van de “grote getallen” hanteren: op 1/7/1958:waren er 938 patiënten.

Buiten het gesticht bestonden er geen extra-murale voorzieningen: geen homes voor mentaal gehandicapten, geen beschermde werkplaatsen …
Halfweg de jaren zestig ijverden de ouders van mentaal gehandicapten om verandering te brengen in deze toestand: heel geleidelijk aan ontstonden aangepaste voorzieningen, zoals de homes voor mentaal gehandicapten en geëigende tewerkstellingsmogelijkheden via de beschermde werkplaatsen.

De grote doorbraak kwam er toen de ziekteverzekering de geesteszieke als zieke erkende en de psychiatrische instellingen ziekenhuizen werden.  De ziekenhuiskenletters P- dienst en O-dienst, zouden later vervangen worden door A- en T-diensten.
Door deze erkenning werd de opname in opendienst mogelijk en was de collocatie niet langer noodzakelijk om behandeling te bekomen.
Meteen werden de nadelige gevolgen van de collocatie opgeheven en zou men geleidelijk aan overgaan tot massale de-collocatie.
De ziekenfondsen stelden echter ook erkenningscriteria voorop en heel belangrijk was de verplichte personeelsnorm. Er werd goed opgeleid en gespecialiseerd personeel aangeworven.
Dit bracht een hele ommekeer teweeg: de menswaardige behandeling kreeg een boost… de muren werden afgebroken.;;;; de patiënt ging er terug bij horen…

Vanuit sociaal standpunt was het heel belangrijk dat de patiënt opnieuw zijn rechten op tegemoetkoming kan doen gelden. Dit had voor gunstig gevolg dat hij recht verwierf op een inkomen en op die manier kon hij een spaarpotje aanleggen, wat een formidabele hulp zou blijken als een ontslag in het vooruitzicht werd gesteld.

In het ziekenhuis werden allerhande therapieën opgezet met de bedoeling de verblijfsduur zo kort mogelijk te houden en chroniciteit te voorkomen. Er werd intensief behandeld.

Voor de chronische bevolking werden allerhande initiatieven genomen: denken we maar aan het beschut wonen, dat aan chronische patiënten de mogelijkheid gaf om in kleine groepjes in de stad te gaan wonen.

Indien het beschut wonen te hoog gegrepen was, werd er de mogelijkheid voorzien over te stappen naar P.V.T., waar meer de nadruk op “zorg” en het in stand houden van de resterende mogelijkheden van de chronische patiënt als doelstelling gehanteerd werd.

De laatste jaren gaat de overheid nog verder, door het stimuleren van de bedden afbouw in de ziekenhuizen om met de vrijgekomen financiën de thuiszorg te betalen: de oprichting van de mobiele equipes die de patiënt aan huis gaan behandelen om opname te voorkomen of te beperken in tijd.

De term “geestelijke gezondheidszorg” kan in zijn volle betekenis geïntroduceerd worden.

Besluitend zou ik willen stellen dat er een enorme vooruitgang is geboekt in de behandeling van de geesteszieke persoon: de liefdevolle zorg werd aangevuld met een deskundige gespecialiseerde behandeling.

Het heeft lang geduurd en het was een geleidelijk proces, maar elke verandering heeft af te rekenen met de weerstand van de gevestigde gewoonten.

Ik ben erg blij met deze evolutie.

Jan Thoelen
Gewezen Algemeen Directeur