Inschattingsvermogen

Ik was op de kamer en ik lag op het bed. Ik was alleen.
Het was stil met op de achtergrond wat muziek. Er klopte iemand op de deur. Het was een begeleider die kwam kijken hoe het ging.
Ze vroeg; “Hoe gaat het?”
Ik keek op, lachte en zei “goed.”
Ze bleef even kijken en na twee minuten ging ze weg. In mijn hoofd was ik aan het balen. Het ging helemaal niet goed, maar dat durfde ik niet zeggen. Ik dacht; wat een stommerik ben ik toch? Hoe moeilijk kan het zijn om gewoon te zeggen het gaat niet goed en toen was de begeleiding weg. Het was te laat. Ik was aan het twijfelen, zou ik bellen of niet? Wat gebeurt er als ik bel? Durf ik het dan wel?

Vol moed wil ik op het belletje drukken met de gedachte nu ga ik het vertellen. Plots klopt er weer iemand op de deur. Het was de begeleiding om te vragen of het echt wel goed ging. Ze zag aan me dat het moeilijk was. Toen zei ik het eindelijk. Nee, het gaat niet goed. Opgelucht zei de begeleiding. Dat dacht ik al.

A.