De verloren jaren vanaf 1881.

Het leven van het hoofdpersonage, Rosa is een fictief verhaal.
Leefgroep 3 in Asster heeft in enkele lessen rond Haspengouws Erfgoed vnl. mbt. Asster een inleefverhaal gemaakt. Wat als 136 jaar geleden…

HFDST 1: De wanhoop
HFDST 2: De wantoestand
HFDST 3: De opname
HFDST 4: De toestand
HFDST 5: De hoop

De verloren jaren vanaf 1881 – HFDST 1: De wanhoop 

“Ik fluister. Ik roep. Ik schreeuw op de stoep. Ik flip op de rand van de straat, al hopend dat de duivel me verlaat. Ik bid tot God. Mensen verklaren me anders dan anderen. Wat kan ik eraan doen dat de duivel me doet veranderen? Ik heb hem geroepen met een bordspel waarvan ik de naam niet meer weet. Daardoor denken ze dat het mijn schuld is dat mijn zoon overleed. Ik vraag God me te helpen met strijden. Te helpen om de duivelse daden te mijden. Mensen vragen wat er aan de hand is met mij, vraag het maar aan de duivel, hij staat aan mijn zij. mensen bekijken me vies, als ze me op de straat zien lopen; Ik zit te hopen. Te hopen op onderdak. Te hopen dat ik met het weinige eten niet door mijn benen zak. Mijn huis durf ik niet binnen. Door de duivel die er rond is aan het zweven. God? Help me dit overleven.

De verloren jaren vanaf 1881 – HFDST 2: De wantoestand  

De burgemeester keek door het raam van het stadhuis naar het plein. Het was een warme zondagochtend en er waren al veel mensen. Er was al een maand verstreken en hij was dan ook niet verbaasd dat hij een bekende gestalte zag staan. “Richard!” Richard kwam aangelopen. “Mijnheer de Burgemeester?” vroeg de rechterhand.  “Ze staat er weer. We hebben haar verwittigd, pak haar op.” “Op grond van?” “Maakt niet uit. Ze staat weer te bedelen. Zorg dat Champetter haar oppakt! Dit kunnen we niet zomaar toelaten. Het kan toch niet in een stad als deze. Ze klamt de gegoede burgers aan.” “…” Richard keek de burgemeester aan, die boog zich weer over zijn bureau en woof hem weg. “Zeg dat ze gek is.”

De verloren jaren vanaf 1881 – HFDST 3: De opname

Ik krijste, wrong. Tevergeefs. De champetter die me aan de twee zusters overleverde hield me in een ijzeren greep en hoe ik ook kronkelde, de overmacht was te groot. Ze waren te sterk. De bezetenheid waar ik mee vocht, was geen argument om me gek te verklaren. Elk roofdier zou zo proberen uit te halen met het vooruitzicht opgesloten te worden. Ze wilden me het klooster induwen. Alsof ik zwakzinnig was. De vernedering. Alsof de dood van mijn zoon niet erg genoeg was. Het huis dat ik verloor. Ik barste in snikken uit. De lange, koude gang. De witzwarte tegels en de beelden met lege blikken. Na weken op straat geleefd te hebben was dit beklemmende gebouw indrukwekkend, maar eveneens beangstigend. Eindelijk kwam moeder Overste haar kantoor binnen. De twee nonnen die geen duimbreed van mij weken sinds we het klooster binnenkwamen. De Abdis die de regels afdonderde. Haar hardvochtige, ijzige blik. Het vlakke “Welkom”. Het klonk haast vals. “Dit is je nieuwe thuis.” De zin bracht niet echt rust in mijn hoofd.

De verloren jaren vanaf 1881 – HFDST 4: De toestand  

Nog voor het zonlicht de kans kreeg om door mijn dunne gordijnen te dringen, kraaide de haan alsof het zijn laatste dag was. Met moeite opende ik mijn ogen. Het zou me niet verbazen als de steenharde matras de oorzaak was van de blauwe plekken op mijn dunne armen. Op het meest onverwachte moment zwaaide de deur open. Een mollige vrouw kwam ruw de kamer binnengelopen. Ik had amper de kans om me te verweren tegen de ijzige handen die mede kamer uittrokken. “Wat gaan we doen?” vroeg ik ongerust. Meteen nadat ik mijn vraag gesteld had, beseft ik dat het wel de meest banale vraag was die iemand kan stellen. De non antwoordde niet. Ze keek alleen zuur voor zich uit. Haar passen werden steeds luider en de kille gang werd alsmaar langer. Er liepen geen mensen door de gang. Alleen levende lijken die hun zielige leven voorbij zagen flitsen tijdens hun langdurige opname. Eindelijk kwqmen we aan bij een grote, bruine deur. Alleen toen de non met volle kracht tegen de deur duwde, gaf de deur zich piepend over aan het geduw. De zaal zat vol met vrouwen, wiens ogen gesloten waren en hun handen in elkaar gevouwen. Warme zonnestralen sijpelden door de felgekleurde glazen, waardoor er een gekleurde tekening op de witte vloer verscheen. De strenge vrouw bracht me naar een afgezonderde stoel in het midden van de kapel. Beheerst ging ik zitten, wachtend op instructies waarvan ik eigenlijk wist dat ze niet gingen komen. Ik deed de rest na. Ik volgde hen. Ik zou mezelf niet eens meer herkennen als ik als buitenstaander naar de groep zou kijken. Bidden deed ik niet, als teken van protest. Niet dat iemand het merkte hoor. Na de twee lange uren die voorbijkropen, werden we als een bende schapen naar de eetkamer geleid. Ook deze geelgeschilderde kamer leek op de kille gang die de verbinding vormde tussen mijn kamer en de kapel. Het eten trok, zoals verwacht, op niet veel. Een halfvol kommetje met een bruine smurrie werd voor onze neus geschoven. De vreselijke geur drong langzaam mijn neusgaten binnen.

De verloren jaren vanaf 1881 – HFDST 5: De hoop

“Klop, klop”. Vrouwe Helena opent de deur. “We gaan beginnen”, mompelt ze terwijl ze de volgende deur al nadert. Eindelijk komt het moment waarop men, zowel nu als een eeuw later, de hele dag naar uitkeek. Het contact-moment met het bekende! Even weer in je hoofd thuis zijn. Het ‘GSM-moment’ zoals men dat later zal noemen. Alleen hebben wij het geluk dat er iedere dag zes hebben. Plus, het bereik is beter & de lijn is nooit bezet! Dus ik haast me door de grijze gangen van het klooster naar de kapel. De stenen vloer voelt pijnlijk hard aan mijn knieën. Toch blijf ik zitten. De anderen hoor ik steeds dezelfde verzen afdreunen. Maar dit is mijn kans. Ik vouw mijn handen en fluister zachtjes: “Lieve Diederik, mijn enige zoon, je zal nooit geloven wat er vandaag is gebeurd.”